Een bevel van koning Lodewijk Napoleon om alle weeskinderen te mobiliseren voor het Franse leger zorgt voor opschudding. Niet alleen onder de wezen zelf, maar ook onder de bevolking. Op 14 juli 1809 slaat de vlam in de pan bij het gereformeerd burgerweeshuis in Rotterdam. Rotterdammers en wezen trotseren samen een legertje soldaten. Veel helpt het niet. Diezelfde maand komen 30 wezen in militaire dienst. Zij zouden Rotterdam nooit meer weerzien.

Egbert van Drielst en Adriaan de Lelie: Krayenhoff in French uniform when he left on Sunday morning Maarssen 18 januari 1795

Egbert van Drielst en Adriaan de Lelie: Krayenhoff in Frans uniform 1795 (afbeelding: Wikipedia)

Nederland staat in 1809 al bijna 15 jaar onder Frans toezicht. In 1795 was de Franse generaal Pichegru de dichtgevroren rivieren van ons overgestoken. Hij wordt enthousiast ingehaald door bewonderaars van de Franse revolutie.

De eerste jaren is er van verzet tegen de Fransen nauwelijks sprake. Ook niet als in 1799 Napoleon Bonaparte aan de macht komt en zijn broer Louis koning maakt in Nederland. Maar in de loop van de tijd neemt Napoleon de touwtjes steeds strakker in handen. Zijn voortdurende oorlogen maken dat hij steeds meer geld en soldaten nodig heeft. Hij eist dat Louis vanuit Nederland meer militairen aanlevert.

Mobilisatie
Louis Napoleon geeft gehoor aan de eis van zijn broer. Hij mobiliseert onder anderen de oudste kinderen uit wees- en armenhuizen. Halverwege juni 1809 valt er een brief van de koning op de mat van het gereformeerd burgerweeshuis aan de Goudsche Singel in Rotterdam. Hij wil dat het weeshuis alle kinderen van 16 jaar en ouder naar de kazerne in Utrecht stuurt.

Protest
Maar de bestuurders van het weeshuis voelen er niets voor om hun ‘kinderen’ in militaire dienst te laten gaan. Ze vinden dat de overheid daar niets over te zeggen heeft, omdat het weeshuis niet door de gemeente of het rijk wordt betaald. Ze sturen hun bezwaar naar de Rotterdamse burgemeester Isaack van Teylingen. Maar zegt dat de orders van de koning komen en dat er niet valt te schipperen.

Orphanage 1808

Burgerweeshuis Rotterdam 1808 (afbeelding: Stadsarchief Rotterdam)

Lijst
Morrend laten de regenten van het weeshuis een lijst opstellen van 16-plussers. Schoolmeester Maan telt 104 kinderen. Hij schrijft achter hun namen ook “in het oog lopende gebreken”. Het bestuur zendt de lijst op 20 juni naar Van Teylingen en doet er een briefje bij: “Wij houden ons als regenten niet verantwoordelijk voor de gevolgen die uit de geëiste lijst voortvloeien”.

Lek
De brief van de koning lekt uit. Direct komen enkele weeskinderen het bestuur vertellen dat ze liever hun werk in het tehuis blijven doen dan dat ze soldaat worden. De regenten doen geen moeite de plannen te ontkennen. Ze beloven de wezen hun best te doen om te voorkomen dat ze in dienst moeten.

Onrust
Als de bestuurders denken dat ze de boel daarmee hebben gesust, dan hebben ze het mis. Er gaat een golf van paniek door het weeshuis. Op zondag 25 juni sturen de regenten een brief naar de koning, de landdrost (zeg maar: de commissaris van de koning) en de minister van oorlog. Ze beschrijven daarin “de blijkbare weerzin en de aan wanhoop grenzende droefheid” onder de wezen.

Een van de bestuurders spreekt die dag de kinderen toe: “Wij hebben alles gedaan om jullie onder de dienstplicht te laten uitkomen. De burgemeester had jullie er ook graag van ontheven. Maar zijn edel groot achtbare kan niet tegen een bevel van de koning ingaan. Wij raden jullie aan om aan het bevel gehoor te geven en jullie niet ongelukkig te maken met nutteloos en voor jullie schadelijk verzet. Gedraag jullie als brave weesjongens. Wij zullen altijd jullie liefhebbende vaders zijn.”

Vlucht
De toespraak wakkert de onrust verder aan. Steeds meer weesjongens nemen de benen om aan de dienstplicht te ontsnappen. Dit tot groot ongenoegen van de autoriteiten. Burgemeester Van Teylingen beschuldigt het weeshuisbestuur ervan dat ze medeschuldig zijn aan de vlucht van bijna 20 kinderen. Hij wil dat de regenten er alles aan doen om nieuwe ontsnappingen te voorkomen.

Afbeelding: Stadsarchief Rotterdam

Burgerweeshuis Rotterdam (afbeelding: Stadsarchief Rotterdam)

Verzet
Begin juli gaan er geruchten dat de weeskinderen zich willen verzetten als de autoriteiten later die maand de 16-plussers komen halen. Weggelopen wezen zouden ’s nachts wapens het weeshuis in smokkelen. De bestuurders gaan op onderzoek uit. Ze vinden een defect pistool, wat kruit en enkele sabels.

Maar er is niet alleen verzet te verwachten van de weeskinderen. Het Burgerweeshuis is een open instelling. Gewone Rotterdammers kunnen er ’s avonds terecht voor gratis bier. Aan de bierpomp gaan de verhalen rond over de plannen om de wezen te rekruteren voor het Franse leger. Al snel groeit daarover ook bij de burgers de boosheid.

Uur U
Burgemeester Van Teylingen deelt het weeshuis op 13 juli mee dat soldaten de kinderen de volgende ochtend komen halen. De bestuurders houden het tijdstip stil. Maar de kinderen zijn getipt.

De volgende ochtend om 4 uur staan ze allemaal voor de ramen van de slaapzaal. De soldaten durven de slaapzaal niet in en keren om. Ze komen een uur later terug met twee schouten en hun eigen commandant. Dan blijken veel wezen al de benen te hebben genomen via de dakgoot.

Er blijven nog ruim 30 16-plussers achter in de slaapzaal. De soldaten nemen hen mee. Nog eens 5 wezen die waren gevlucht, krijgen spijt en lopen mee. Er liggen in de Vest schuiten klaar waarmee ze naar Utrecht zullen varen. Dan slaat de lont in het kruitvat.

Stenen
Veel Rotterdammers zijn wakker geworden door het tumult. Ze stromen toe en nemen de weesjongens in bescherming. Naast het weeshuis ligt een stapel stenen. Al snel vliegen die om de oren van de hellebaardiers. De soldaten nemen snel de benen. Enkele weeskinderen die al in de schuiten zitten, doen hetzelfde.

Baldadigheden
De rest van de wezen keert terug naar het weeshuis. De volgende nacht blijft het rustig. Maar de tweede nacht slagen opnieuw enkele kinderen erin om te ontsnappen. Ze luiden de klok en gooien een raam in van op de binnenplaats. Daarna bedrijven zij nog enkele “baldadigheden”.

Afbeelding: Stadsarchief Rotterdam

Burgerweeshuis Rotterdam (afbeelding: Stadsarchief Rotterdam)

Einde
Dan is voor de autoriteiten de maat vol. Landdrost Carel Hultman, een soort commissaris van de koning, komt hoogstpersoonlijk naar het Burgerweeshuis om de kinderen toe te spreken. Begeleid door een flink aantal soldaten belooft hij hen dat ze goed zullen worden behandeld door het leger. Ook geeft hij hen 10 gulden reisgeld mee als ze netjes meegaan naar Utrecht.

Daarop staken de nog aanwezige 23 wezen hun verzet. Direct worden ze in drie karren afgevoerd. Weer is er veel volk op de been. Maar er zijn zoveel soldaten dat niemand een vinger uitsteekt.

Van de weggevluchte wezen keren er uiteindelijk nog zo’n 20 terug. Ook zij worden naar Utrecht gestuurd. Van hen worden er 14 afgekeurd voor militaire dienst. Van de 30 Rotterdamse weeskinderen die in het leger terecht komen, is sindsdien niets meer vernomen.